Ga onmiddellijk naar de inhoud

Bijdragen innen

De rekeningen bijhouden

De rekeningen van werkgevers en niet-werkgevers bijhouden, betekent onder andere de bedragen boeken die werden betaald, door elke werkdag de betalingen, schuldcompensaties en inhoudingen op facturen toe te rekenen.

De volgende grafiek toont hoe de toerekeningen in de afgelopen 15 jaar evolueerden. Opgelet: bij deze cijfers werd er geen rekening gehouden met de bedragen die betrekking hebben op de inhoudingsplicht (artikel 30bis). De betalingen van provinciale en lokale overheden worden in aanmerking genomen vanaf 2022.

Aantal boekingen per jaar (in duizendtallen)
Jaar Aantal
2011 2.642
2012 2.659
2013 2.491
2014 2.824
2015 2.804
2016 2.806
2017 2.771
2018 2.867
2019 2.690
2020 2.664
2021 3.051
2022 2.937
2023 3.040
2024 3.054
2025 3.022
Bedrag van de boekingen per jaar (in duizenden euro)
Jaar Bedrag
2011 46.297.352
2012 48.467.617
2013 49.346.698
2014 49.970.997
2015 52.494.346
2016 52.034.872
2017 52.234.576
2018 54.363.719
2019 55.823.023
2020 54.793.825
2021 57.279.869
2022 62.304.827
2023 68.562.575
2024 73.210.840
2025 75.268.161

De daling van het aantal betalingen en inkomsten in 2020 was het gevolg van het uitstel van betaling, verleend in het kader van de coronacrisis. De stijging van de inkomsten en het aantal ontvangen betalingen in 2021 houdt verband met de hervatting van de invordering van de in 2020 uitgebleven betalingen.

Vanaf 2022 worden de bijdragen van provinciale en lokale overheden opgenomen in de totalen. Dit verklaart de toename van het aantal ontvangen betalingen en van de totale inkomsten in 2022. Als gevolg van de loonindexering werd er in 2023 en 2024 een verhoging van de te betalen bijdragen vastgesteld. Dat heeft geleid tot een sterke stijging van de jaarlijkse inkomsten.

Ontheffing van sancties

De RSZ kan ook een (volledige of gedeeltelijke) kwijtschelding van de bijdrageopslagen en verwijlintresten toekennen als de werkgever een gegronde reden heeft en hij alle vervallen bijdragen betaald heeft.

De volgende grafiek toont het aantal ontheffingen van sancties die we in de afgelopen jaren hebben toegekend.

Ontheffingen van sancties
Jaar Aantal
2011 7.733
2012 8.073
2013 9.329
2014 11.809
2015 10.378
2016 10.115
2017 11.129
2018 10.990
2019 10.981
2020 6.538
2021 8.481
2022 5.040
2023 11.214
2024 9.824
2025 9.640

Het aantal ontheffingen is in 2020 sterk gedaald. Tijdens de coronacrisis heeft de regering verschillende maatregelen getroffen opdat sancties niet toegepast zouden worden.

In 2021 zagen we opnieuw een stijging, te verklaren door de regularisatie van dossiers (van voor 2020) en/of de hervatting van de invordering ervan. De aanzienlijke daling van het aantal toegekende ontheffingen in 2022 is toe te schrijven aan het feit dat er minder sancties zijn toegepast omdat er tot en met het eerste trimester van 2022 minnelijke afbetalingsplannen zonder sancties (corona) zijn verleend.

Vanaf 2023 zien wij opnieuw een toename van het aantal vragen om ontheffingen. Dat kan enerzijds verklaard worden door de hervatting van de normale toepassing van de sancties en anderzijds door de toepassing, met terugwerkende kracht, van de sancties in geval van een herziening van minnelijke afbetalingsplannen in het kader van de coronacrisis. Sinds 2024 stabiliseert het aantal toegestane ontheffingen.

Betalingsmoeilijkheden beheren

Naleving van de wettelijke vervaltermijnen

Wettelijk gezien moeten werkgevers de bijdragen voor een bepaald kwartaal een maand na het einde van dat kwartaal betalen.

De volgende grafiek toont het percentage van bijdragen dat op de wettelijke vervaldatum was betaald.

Percentage bijdragen betaald op de wettelijke vervaldag
Trimester Percentage
2020/1 95,08%
2020/2 91,71%
2020/3 97,31%
2020/4 97,77%
2021/1 97,89%
2021/2 97,54%
2021/3 98,10%
2021/4 97,90%
2022/1 96,02%
2022/2 91,02%
2022/3 95,70%
2022/4 95,47%
2023/1 98,61%
2023/2 98,82%
2023/3 98,84%
2023/4 98,78%
2024/1 96,53%
2024/2 95,85%
2024/3 96,74%
2024/4 96,52%
2025/1 96,42%
2025/2 96,78%
2025/3 93,77%
2025/4 96,66%

De RSZ heeft sinds begin 2014 een aantal aspecten van de inning (in de minnelijke fase) aangepast: oproepen voor de betaling van voorschotten, proactief benaderen van werkgevers in moeilijkheden, duidelijkere documenten... Deze inspanningen hebben we de voorbije jaren voortgezet.

Het rendement van de inning op de bijdragen op de wettelijke vervaldag kwam in 2020 onder druk te staan door het uitstel van betalingen dat door de coronapandemie toegekend werd.

Dat rendement is na de pandemie geleidelijk aan opnieuw gestegen en heeft zich t.e.m. 2023 gestabiliseerd. Sinds 2024 daalt het rendement. Deze daling herstelt zich een maand na de wettelijke vervaldag. Het rendement stijgt dan tot 98,9%. Ook al zijn er meer laattijdige betalingen, ze laten minder lang op zich wachten.

Zes maanden na de wettelijke vervaldag bedraagt het rendement van de inning 99,2%.

Wanneer een aangifte wordt corrigeerd, heeft de werkgever een maand om die wijziging te betalen. De volgende grafiek toont per kwartaal het percentage wijzigingen dat binnen de vooropgestelde termijn werd betaald.

Percentage wijzigingen betaald op de vervaldag
Trimester Percentage
2020/1 81,13 %
2020/2 82,88 %
2020/3 92,38 %
2020/4 85,05 %
2021/1 89,63 %
2021/2 90,71 %
2021/3 92,75 %
2021/4 96,23 %
2022/1 92,60%
2022/2 93,30%
2022/3 91,35%
2022/4 94,46%
2023/1 94,15 %
2023/2 93,02 %
2023/3 91,70 %
2023/4 93,47 %
2024/1 90,96%
2024/2 91,88%
2024/3 88,36%
2024/4 94,30%
2025/1 92,59%
2025/2 93,97%
2025/3 87,11%
2025/4 95,63%

De werkgevers vertonen niet hetzelfde betaalpatroon voor deze wijzigingen als voor de kwartaalbijdragen. Het rendement van de inning bedraagt hier 93,43%.

Ook hier daalde het rendement van de inning in 2020 door de coronapandemie. De situatie is opnieuw gestabiliseerd sinds het derde trimester van 2021. Ook al is het rendement licht gedaald sinds 2025 (1% t.o.v. 2023), de gevorderde bedragen blijven op een gelijkaardig niveau als in 2024. Het inningsrendement van deze bijdragen over 6 maanden loopt op tot 97,6%.

Minnelijke afbetalingsplannen

Als een werkgever betalingsmoeilijkheden ondervindt, dan houdt de RSZ daar rekening mee: er kan over een minnelijk afbetalingsplan worden onderhandeld om gerechtelijke vervolging – en de kosten die daarmee gepaard gaan – te vermijden.

De volgende grafiek geeft per jaar een beeld van het aantal aanvragen voor een minnelijk afbetalingsplan.

Aantal aanvragen voor een minnelijk afbetalingsplan
Jaar Aantal
2012 10.722
2013 11.115
2014 13.017
2015 12.067
2016 11.466
2017 18.727
2018 20.928
2019 23.806
2020 24.755
2021 31.498
2022 21.520
2023 29.170
2024 28.374
2025 26.373

De mogelijkheid van een minnelijk afbetalingsplan bestaat sinds 2006. In het begin was deze mogelijkheid voorzien bij tijdelijke (niet-structurele) betaalmoeilijkheden. Eind 2016 is de mogelijkheid uitgebreid tot gevallen waar er zich wel structurele moeilijkheden voordeden. Het doel van deze uitbreiding was om de invordering via het dwangbevel zoveel mogelijk te vermijden. De stijgende tendens in het aantal aanvragen naar minnelijke afbetalingsplannen die voor het eerst werd vastgesteld in 2017, zet zich verder tot in 2021. Voor een deel van de werkgevers verving de toekenning van het uitstel tot 15 december 2020, omwille van de coronapandemie, de noodzaak om een minnelijk afbetalingsplan aan te vragen. Daardoor is de verdere toename van het aantal aanvragen tot minnelijke afbetaling beperkt gebleven. Maar in 2021 steeg het aantal aanvragen opnieuw aanzienlijk: door het aanhouden van de coronapandemie werd er systematisch opnieuw teruggegrepen naar de minnelijke afbetalingsplannen. Ondanks de energiecrisis die in 2022 volgde op de coronacrisis, is het aantal aanvragen om minnelijke afbetalingsplannen naar de norm van vóór 2020 teruggekeerd. De impact van de energiecrisis en de verhoging van de te betalen bijdragen lieten zich tot in 2024 voelen maar lijken in 2025 uit te doven.

Daarnaast stellen we ook vast dat in 2020 de bedragen waarvoor een minnelijk afbetalingsplan werd aangevraagd meer dan verdubbeld zijn t.o.v. 2019 (880 miljoen euro). 2021 is vergelijkbaar met 2020 (840 miljoen euro). In 2022 is de situatie gestabiliseerd (510 miljoen euro) maar in 2023 zijn de bedragen omwille van de bovenstaande redenen opnieuw gestegen (673 miljoen euro). Voor 2025 komen we uit op 617 miljoen euro, in 2024 was dat 632 miljoen euro.

Minnelijke afbetalingsplannen opvolgen

Om de doeltreffendheid van de opgestelde betalingsregelingen te waarborgen, volgt de RSZ de daadwerkelijk geïnde bedragen binnen de voorwaarden van het plan op.

De volgende grafiek toont de ontwikkeling, over de afgelopen jaren, van het percentage geïnde bedragen ten opzichte van de verschuldigde bedragen die voortvloeien uit minnelijke betalingsregelingen.

Minnelijke afbetaling: percentage van de verschuldigde bedragen dat is geïnd
Jaar Percentage
2012 74,89%
2013 79,3%
2014 84,70%
2015 81,76%
2016 81,36%
2017 77,35%
2018 79,09%
2019 79,08%
2020 83,97%
2021 79,38%
2022 75,37%
2023 73,03%
2024 71,44%
2025 71,16%

Een strikte opvolging en begeleiding, en de voorwaarde van tijdelijke moeilijkheden, zorgden ervoor dat de ondernemingen de gestelde betalingstermijnen beter aanhielden en naleefden.

Sinds 2016 zijn de omstandigheden gewijzigd: er wordt veel meer teruggegrepen naar afbetalingsplannen om terugvorderingen via dwangbevel te voorkomen.

Doordat de maandelijkse betalingen in het kader van afbetalingsplannen sinds 15 december 2020 (einde van het uitstel in het kader van de coronacrisis) een inhaalbeweging maakten, hebben we een rendement van de inning van bijna 84% behaald.

In 2021 werd vaker teruggegrepen naar minnelijke afbetalingsplannen, en ondanks de verschillende besmettingsgolven tijdens de pandemie keerde het rendement van de inning terug naar het niveau van vóór 2020. Eind 2021 en in 2022 kwam de strikte opvolging van de naleving van de afbetalingsplannen echter in het gedrang door een personeelstekort in de diensten die verantwoordelijk zijn voor de minnelijke inning. Dit verklaart gedeeltelijk de daling van het rendement. Daarnaast is de daling in dit type terugvorderingen ook toe te schrijven aan een toename van de betaalmoeilijkheden sinds begin 2023 door het wegvallen van de steunmaatregelen.

Maatregelen in de strijd tegen het zwartwerk in de bouw-, vlees- en bewakingssector beheren

Aangifte van werken

Een aannemer die in opdracht werkzaamheden uitvoert, moet die werken melden aan de RSZ. Daarbij moet hij alle informatie over het contract, de opdrachtgever en eventuele onderaannemers meedelen. Deze maatregel heeft tot doel het zwartwerk in de bouwsector, de vleessector en de bewakingssector terug te dringen.

De volgende grafiek toont het aantal meldingen sinds 2011.

Aantal meldingen van werkzaamheden per jaar
Jaar Aantal
2011 118.084
2012 113.370
2013 119.664
2014 126.989
2015 116.922
2016 111.319
2017 106.675
2018 118.543
2019 114.489
2020 113.799
2021 116.195
2022 149.920
2023 134.898
2024 169.058
2025 153.642

De verplichting om bepaalde werkzaamheden (werken in onroerende staat in het algemeen, zuivere bouwactiviteiten, schoonmaken, onderhoud, elektriciteit, metaal, hout, parken en tuinen, maar ook in de vleessector en bewakingssector) aan te geven, is veel beter bekend en wordt beter uitgevoerd. Sinds 2010 is het mogelijk om de werken in batch aan te geven, wat hun taak vergemakkelijkt.

Een aanpassing van het batchsysteem voor de verzending van de aangiften ligt aan de basis van de toename van het aantal aangiften van werken in bepaalde sectoren in 2018. Gelet op het unieke karakter van deze maatregel, heeft de tendens zich opnieuw verdergezet in 2019.

In 2020 hebben we tijdens de eerste lockdown een activiteitsdaling vastgesteld, die tot een daling van het aantal aangiften van werken heeft geleid.

In 2021 stelden we reeds een lichte hervatting van de activiteiten vast. In 2022 namen die verder toe en in 2023 stabiliseerden die zich. De specifieke verhoging in 2024 vloeit voort uit de inwerkingstelling van de registratie ‘in’ en ‘out’ voor de schoonmaaksector. Deze registratie is effectief gelinkt met de uitvoering van de aangifte van werken bij uitvoering van artikel 30bis. Sinds 2023 werden er hierover verschillende informatiesessies gegeven.

Betaalde inhoudingen

Een opdrachtgever of aannemer die een beroep doet op een aannemer/onderaannemer moet zich ervan vergewissen dat die laatste geen sociale schuld heeft voordat hij de factuur betaalt. Zijn er wel sociale schulden, dan moet de opdrachtgever/aannemer 35% van het gefactureerde bedrag inhouden en aan de RSZ doorstorten.

De volgende grafieken tonen de evolutie van het aantal betaalde inhoudingen en van de overeenstemmende bedragen.

Aantal ingehouden betalingen
Jaar Aantal
2011 23.032
2012 25.455
2013 23.378
2014 21.349
2015 19.875
2016 18.854
2017 15.796
2018 13.990
2019 14.074
2020 9.952
2021 16.804
2022 12.757
2023 14.452
2024 15.859
2025 16.741
Bedrag van de ingehouden betalingen
Jaar Bedrag
2011 54.840.999 €
2012 65.757.792 €
2013 57.428.069 €
2014 48.135.240 €
2015 46.959.838 €
2016 44.427.585 €
2017 40.478.951 €
2018 36.888.581 €
2019 36.130.035 €
2020 25.243.979 €
2021 26.695.065 €
2022 36.046.755 €
2023 44.620.094 €
2024 49.110.046 €
2025 49.637.472 €

De moeilijkheden van de werkgevers en de maandenlange activiteitsdaling in 2020 hebben ook een impact gehad op de betaling van inhoudingen.

Sinds 2021 zit het aantal inhoudingen weer op een normaal niveau. Het totaal aan ingehouden bedragen blijft vrij beperkt. In 2022 zien we een terugkeer naar de norm van 2019.

De verhoging van het aantal betalingen en van de ontvangsten sinds 2023 en 2024 kan ook worden gelinkt aan de toename van de gefactureerde prestaties en de economische activiteiten, aan de informatiecampagnes van die jaren en de optimalisering van de aanwezigheidsregistratie (Check in and out at work voor de schoonmaaksector).

Invordering beheren

Wij zijn verantwoordelijk voor de invordering van de bijdragen die niet binnen de voorgeschreven termijn betaald worden. Als de verschuldigde bedragen niet spontaan voldaan worden, sturen wij aanmaningen of herinneringen.

De tabel hieronder toont op 1 januari 2025 het aantal werkgevers in gerechtelijke navordering. Werkgevers met een uitgesproken faillissement worden niet meegerekend. De tabel maakt een onderscheid tussen werkgevers met en zonder aangegeven personeel. De cijfers laten zien dat, na de daling tijdens de coronaperiode, het aantal werkgevers in gerechtelijke navordering opnieuw geleidelijk stijgt, met een lichte toename in 2025. Die stijging komt vooral door de toename van werkgevers met personeel. Het aantal werkgevers zonder personeel blijft dalen. Het gaat dus vooral om actieve werkgevers. Hun RSZ-schuld kan blijven groeien zolang ze personeel blijven tewerkstellen.

Evolutie van het aantal werkgevers volgens type van werkgever
Type werkgever 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
Werkgever met personeel 24.070 18.542 10.426 12.159 13.059 13.507 14.854
Werkgever zonder personneel 11.527 10.704 7.251 6.218 6.034 5.899 6.426
Totaal 35.597 29.246 17.677 18.377 19.093 19.406 21.280

Gerechtelijke navorderingsfase aanvatten

Als betalingsaanmaningen zonder gevolg blijven, vatten wij de gerechtelijke navorderingsfase aan.

De tabel hieronder geeft het aantal navorderingsprocedures weer, via gerechtelijke weg of dwangbevel, die in het betrokken jaar aangevat werden. U ziet ook het aantal werkgevers dat in hetzelfde jaar bij deze procedures betrokken is.

Door de invoering van het ‘veralgemeend dwangbevel’ verminderde het aantal aangevatte procedures aanzienlijk in 2017. Het aantal betrokken werkgevers daalde minder uitgesproken. In 2018 volgde een stijging voor beide. In navolging van de richtlijnen van het Grondwettelijk Hof (arrest van 4 april 2019), werd de aanpak voor het opstarten van de procedures in 2019 geoptimaliseerd. Daardoor ligt het aantal opgestarte procedures in 2019 beduidend lager dan in een standaard werkjaar. Van begin april tot half augustus werden er namelijk geen dwangbevelprocedures opgestart.

In 2020 werden er als gevolg van de coronamaatregelen aanzienlijk minder procedures opgestart, wat in mindere mate het geval is voor 2021. Ook in 2022 werden er door een aantal bijkomende overheidsmaatregelen minder procedures opgestart. In 2023 werden er terug meer procedures opgestart.

Na een sterke daling door de uitzonderlijke maatregelen die in 2020 en 2021 werden genomen, is de situatie vanaf 2023 geleidelijk verbeterd. In 2024 wijst een nieuwe stijging van het aantal procedures op een terugkeer naar een meer normaal niveau van gerechtelijke invorderingen.

Het jaar 2025 bevestigt de stabiliteit van 2024. Er zijn 38.836 nieuwe procedures opgestart:

  • 37.092 procedures via dwangbevel, een uitvoerbare titel die INTERM ID verdeelt onder gerechtsdeurwaarders. Zij zorgen voor betekening en uitvoering.
  • 1.744 procedures via dagvaarding. De RSZ treedt hier op als eiser. De dossiers gaan naar de advocaten van de RSZ die een titel bij de arbeidsrechtbank vragen, in eerste aanleg.
Aantal opgestarte procedures en betrokken werkgevers
Jaar Aantal opgestarte procedures Aantal betrokken werkgevers
2015 51.757 24.391
2016 47.956 23.648
2017 39.923 22.528
2018 44.692 23.096
2019 29.408 28.157
2020 14.525 13.309
2021 25.065 23.834
2022 23.902 17.580
2023 35.335 19.909
2024 38.565 21.160
2025 38.836 21.280

Uitvoerbare titels beheren

Wij beschikken over twee mogelijkheden om een uitvoerbare titel te verkrijgen:

  • een gerechtelijke procedure inleiden (dagvaarding voor de arbeidsrechtbank), en
  • een dwangbevel aan de werkgever betekenen.

Met een dwangbevel of vonnis proberen we de betaling van de schuld door tenuitvoerlegging te verkrijgen.

Het verkrijgen van uitvoerbare titels beheren

Wij beheren op actieve wijze de gerechtelijke navorderingsprocedures om een uitvoerbare titel te verkrijgen. Als zich tijdens de procedure een onregelmatigheid voordoet, sturen wij de advocaat-raadsman een waarschuwing om een en ander te verhelpen.

De uitvoering van de verkregen titels beheren

Als we vaststellen dat schuldenaars de voorwaarden van de uitvoerbare titels niet naleven, gaan we over tot de uitvoering van de uitvoerbare titels.

De grafiek hieronder toont het aantal afgesloten navorderingsprocedures en het aantal betrokken werkgevers per jaar. De procedures worden afgesloten met een betaling of met de vaststelling dat de schuldvordering van de RSZ oninbaar is.

Het aantal afgesloten navorderingsprocedures kende een uitgesproken daling in 2017 door de invoering van het veralgemeend dwangbevel. In 2018 steeg het aantal opnieuw een beetje. In 2019 werden er beduidend minder procedures opgestart, waardoor ook het aantal afgesloten procedures daalde. Het aantal betrokken werkgevers nam tot en met 2019 toe. In 2020 daalde het aantal betrokken werkgevers aanzienlijk als gevolg van de coronamaatregelen. Het aantal beëindigde procedures steeg lichtjes ten opzichte van het atypische jaar 2019, maar ligt nog steeds lager dan in een standaardjaar. In 2021 daalde het aantal beëindigde procedures dan weer behoorlijk, waarbij het aantal betrokken werkgevers enigszins steeg ten opzichte van 2020. Ook deze cijfers blijven atypisch door de coronamaatregelen. In vergelijking met 2021 zien we in 2022 een toename van het aantal beëindigde procedures, het aantal betrokken werkgevers daarentegen daalt. In 2023 namen zowel het aantal beëindigde procedures, als het aantal daarbij betrokken werkgevers toe.

In 2020 daalde het aantal betrokken werkgevers aanzienlijk als gevolg van de coronamaatregelen. Het aantal beëindigde procedures steeg lichtjes ten opzichte van het atypische jaar 2019, maar ligt nog steeds lager dan in een standaardjaar. In 2021 daalde het aantal beëindigde procedures dan weer behoorlijk, waarbij het aantal betrokken werkgevers enigszins steeg ten opzichte van 2020. Ook deze cijfers blijven atypisch door de coronamaatregelen. In vergelijking met 2021 zien we in 2022 een toename van het aantal beëindigde procedures, het aantal betrokken werkgevers daarentegen daalt. In 2023 namen zowel het aantal beëindigde procedures, als het aantal daarbij betrokken werkgevers toe.

In 2024 lijkt deze trend zich verder te zetten, met een toename van het aantal afgesloten procedures en een lichte stijging van het aantal betrokken werkgevers.

In 2025 is een dalende trend waarneembaar. Het aantal afgesloten procedures bedraagt 35.832 tegenover 43.374 in 2024. Tegelijkertijd daalt het aantal betrokken werkgevers tot 18.438 tegenover 19.165 het jaar voordien. Beide indicatoren dalen dus gelijktijdig. Nog in 2025 hebben 22.721 van de 35.832 afgesloten procedures, of 63%, geleid tot volledige betaling. Dat houdt in dat het oorspronkelijke saldo dat bij het starten van de procedure was vastgesteld, vermeerderd met de bijkomende rente en de gerechtskosten, is betaald.

Evolutie van het aantal afgesloten navorderingsprocedures
Jaar Aantal afgesloten procedures Aantal betrokken werkgevers
2015 49.042 21.466
2016 48.386 21.632
2017 40.694 22.754
2018 42.699 23.531
2019 36.342 22.510
2020 36.877 14.930
2021 29.693 16.598
2022 34.497 15.193
2023 39.862 19.165
2024 43.374 19.168
2025 35.832 18.438